 |
| Editie van 21 juli 2005 |
|
|
|
|
|
De Force Publique van Belgisch Kongo in de periode 1940-1945
|
|
|
|
Van Soedan via Abessinië tot in Birma
|
|
|
Tijdens zijn bezoek aan de Democratische Republiek Congo (DRC) in mei 2005, nodigde de minister van Defensie twee Kongolese oud-strijders uit voor het defilé van 21 juli in Brussel. Met deze symbolische daad wordt de herinnering levendig gehouden aan iedereen die zich inzette bij het verdedigen van de vrijheid tijdens de Tweede Wereldoorlog in België, in Kongo en elders.
De overgave van het Belgische veldleger op 28 mei 1940 heeft nauwelijks effect in Belgisch Kongo, de huidige Democratische Republiek Congo. De koloniale oorlogsinspanningen zijn dan ook meer economisch dan militair. Zonder het Kongolese uranium zouden de eerste Amerikaanse atoombommen waarschijnlijk nooit klaar zijn geweest in augustus 1945.
Toch wordt de Force Publique (FP) eind 1940 opgeroepen en komt ze in het noordoosten tegenover een Italiaanse troepenmacht te staan. Het 10th Belgian Kongo Casualty Clearing Station was de eenheid van de FP met die het langst aanwezig was in gevechtszones. Tussen 1940 en 1945 vechten 350 Kongolezen en twintig Belgen, onder bevel van geneesheerkolonel Thomas, samen met de Britten in Kenia, Abessinië, Somalië, Madagaskar en Birma. Ook 300 jonge, in Kongo wonende of naar Kongo gevluchte Belgen, sluiten zich tijdens de oorlog aan bij de South African Air Force.
|
|
Saïo, eerste Belgische overwinning tegen de As sinds 28 mei 1940
|
|
|
Eind 1940 stelt de FP zijn versterkte XIde bataljon ter beschikking van de Britten in Soedan, om daar weerstand te bieden aan de Italianen. De grote middelen worden ingezet. De 3de brigade van de FP, met inbegrip van het XIde bataljon, neemt deel aan de campagne in Abessinië en behaalt op 3 juli 1941 een overwinning in Saïo. Negen generaals en 15.000 soldaten geven zich over aan de Kongolezen, die zelf vijfhonderd doden te betreuren hebben. De door het moederland op 28 mei 1940 geleden militaire nederlaag is gewroken!
Tussen 1942 en 1943 stuurt de FP ook een 13.000-koppig expeditieleger naar Nigeria. Later worden 9.000 van deze mannen naar Egypte en Palestina gestuurd. Zonder strijd te leveren, keren ze eind juli 1944 terug naar Kongo.
Om de soldaten van de FP te eren, kent België vanaf 1947 twee specifi eke onderscheidingen toe: de herinneringsmedaille van de Abessinische veldtocht en de Afrikaanse medaille van de oorlog 1940-1945.
|
|
Drie eervolle vermeldingen 1ste sergeant verpleger Lukisa, legernummer 6303/C van het Belgische Contingent in Soedan: Heeft tijdens de Abessinische veldtocht in alle omstandigheden blijk gegeven van grote zelfopoffering en voorbeeldige moed. Tijdens het gevecht van 24 april 1941 bleef hij tot op het laatste moment alleen in de hulppost. 's Avonds trok hij er in zijn eentje op uit, in de vuurlinie, om een gewonde kameraad te zoeken. Onder hevig vuur verleende hij op 9 juni 1941, tijdens de slag om Mogi, de eerste zorgen aan gewonden. Nadien droeg hij de zwaarstgewonden op zijn rug naar de hulppost.
1ste sergeant majoor Marcel Mete, legernummer 5117/A: Heeft deelgenomen aan de veldtochten in Abessinië, Somalië, Madagaskar en Birma. Hij gaf gedurende bijna vijf jaar blijk van groot uithoudingsvermogen. Hij was een praktische steun voor zijn Europese chefs gedurende de vele moeilijke dagen die de eenheid doormaakte. Vooral tijdens de opmars van het 33ste Indische legerkorps op de Opper-Chindwin en tijdens de langdurige vijandelijke grond- en luchtacties, gedurende de gevechten van de 11de Oost-Afrikaanse divisie, bij hun mars naar Kalewa.
1ste sergeant majoor Moembi, legernummer 1768/C: Deze moedige, actieve en uitmuntende onderoffi cier heeft zich onderscheiden bij alle operaties waaraan hij deelnam. Bij de slag om Bortai keerde hij zich dapper en resoluut tegen de vijand en bestookte ze met granaten, waardoor hij kon verhinderen dat zijn peloton werd omsingeld.
|
 |
|
|
 |